Sectiemenu
Nieuws algemeen

Albert Blankenstijn: "ik kan niet voetballen"

17 July 2017

Albert Blankenstijn: "ik kan niet voetballen"

Interview met een clubicoon

ALBERT BLANKENSTIJN: "IK BEN M'N HELE LEVEN ACTIEF BIJ RODA'46, MAAR IK KAN NIET VOETBALLEN"
albert_blankenstijn_pasfoto_159x159.jpg
Decennia lang zat Albert Blankenstijn in de jeugdcommissie. En nog steeds is Albert zowel op zaterdag als op zondag op de club te zien. Op zaterdag als gastheer, maar op zondag vooral voor de gezelligheid. “De zondag is eigenlijk altijd al mijn derde helft geweest”.

Een rasechte Leusdenaar. Dat is Albert Blankenstijn. Na zijn geboorte in Leusden-Zuid (toen nog Leusbroek), verhuisde een kleine Albert op zijn zesde naar Hamersveld, het huidige Leusden-centrum. Hamersveld was toen nog een heel klein dorpje. “We hadden misschien een leefgemeenschap van zo’n honderd mensen. Daarvan waren er zo 35 á 40 kind”.

Als kind uit een vrij streng gereformeerd gezin, was voetballen op zondag natuurlijk onmogelijk. Veel kinderen in het kleine dorpje voetbalden echter, dus zo kwam Albert vanzelf met het spelletje in aanraking. “Ik kon zelf niet op voetbal, maar dat hoefde van mij ook niet zo. Ik was meer van het organiseren en dingen regelen. Van jongs af aan al. Ik heb ook nooit gevoetbald bij een club”. Het spelletje vindt Albert best leuk, maar talent heeft hij niet. “Ik had en heb totaal geen aanleg. Ik weet nog net dat ik rechtsbenig ben. Omdat ik hard kon rennen stond ik bij partijtjes met vriendjes voorin, maar dat was het dan ook wel. Ik vond het vooral gewoon gezellig”.

In een ‘ons kent ons’ dorpje viel Albert blijkbaar wel op, want toen hij net examen had gedaan voor de MAVO in 1971, kwam toenmalig jeugdvoorzitter Co Hofland ’s avonds langs. Roda werd steeds wat groter en de club zocht nog een leider voor de aspiranten. “Co wist ook wel dat mijn ouders het niet zo’n geweldig idee zouden vinden, maar hij heeft toch een poging gedaan. Hij zat de hele avond bij ons thuis en toen had ‘ie mijn ouders zo gek dat ik leider zou mogen worden”.

Het leiden van een groep is een grote verantwoordelijkheid, maar het paste prima in Albert zijn straatje. “Het elftal dat ik ging leiden was, als ik me niet vergis, de aspiranten H. In dat team speelden jongens als Japie Zweinenberg en John Dee”. De jongens die Blankenstijn leidde waren twaalf en dertien jaar. Terwijl hij zelf nog maar zeventien was. Problemen gaf het echter nooit. “Het was gewoon lekker een balletje trappen, niet zo prestatiegericht. Als we 3-0 voor stonden dan wisselden de beteren zich bijna uit zichzelf voor de jongens die er niet zoveel van bakten. Dat sociale vond ik prachtig om te zien”.

Een team leiden in die tijd was in zekere zin ongeveer hetzelfde als nu. Er waren echter ook wat dingen anders. “Ik moest het vervoer regelen van de jongens. Dit was maar af en toe nodig, want we gingen dikwijls gewoon op de fiets naar Baarn of Spakenburg”. Het is misschien nu moeilijk voor te stellen, maar volgens Albert was het in die tijd heel anders op de weg. “Er was niet zoveel weekendverkeer. Je kon nog rustig langs de Amsterdamseweg in Amersfoort fietsen, zonder dat je van je sokken gereden werd”.

Kinderen van die leeftijd, de beginnende pubers, waren net zulke kwajongens als nu, meent Albert. “Ik weet bijvoorbeeld nog wel dat Japie Zweinenberg het een keer niet eens was met de scheids. Dan was ‘ie eruit gestuurd. Maakte Jaap zijn hand na de wedstrijd zwart in de modder en ging hij doodleuk de scheids een hand geven om hem te ‘bedanken’. Dat soort kwajongensstreken gebeurde heel vaak. We hebben wat af gelachen met die groep jongens”.

Na een paar jaar stopt Albert als leider en begint hij bij de jeugdcommissie. Die was toen nog klein, want zoveel jeugdteams waren er nog niet. “Er was niet zoveel structuur binnen zo’n commissie. Het uitgestippelde beleid van nu, bestond helemaal niet. Je rol in zo’n commissie was meer om het iedereen naar het zin te maken. Nu is het allemaal veel te groot om dat nog voor elkaar te boksen. Wij probeerden de niveaus toch altijd een beetje te mixen. Je moet ook de ‘mindere’ jongens gemotiveerd houden”.

De plaats in de jeugdcommissie, waar hij zo’n twintig jaar onafgebroken in zou blijven, was er eentje waar Albert heel makkelijk inrolde. “Ik had wel eens commentaar op een aantal dingen. Dan werd er geroepen: Doe jij het maar dan. Dan dacht ik: Ja prima! Ik hou niet zo van delegeren. Dan ga ik het liever gewoon zelf doen”. 

Binnen de commissie vervult Albert in de periode 1975-1995 alle functies. “Behalve iedereen tevreden houden, gingen we in de loop van de jaren ook het vervoer voor de jeugd regelen. Het werd toen te gevaarlijk om zo goed als alles te fietsen. We maakten belrondjes naar de ouders om te proberen een auto te regelen. Zoveel auto’s had je per team niet nodig hoor, want je plaatste er zo twee man in de achterbak bij. Achteraf denk je wel eens: Wat hebben we af en toe levensgevaarlijk gedaan, maar dat was in die tijd heel normaal”.

In zijn eerste jaren in de commissie, was Blankenstijn zelf ook nog een hele jonge kerel. Dit leidde wel eens tot kritiek. “Tijdens een oud & nieuw deden ik met een aantal vrienden het wereldkampioenschap lantarenpaal klimmen. Het was alleen -15 graden en we hadden al flink wat gedronken. Hartstikke gevaarlijk natuurlijk, want voor hetzelfde geldt vries je vast aan zo’n paal. Dan werd ik de volgende dag wel gebeld door verontruste ouders die alles gezien hadden. Of ik vond dat ik op die manier een goed voorbeeld was voor de jeugd. Ach, hoe oud was ik helemaal? Misschien een jaar of 25. Dat hoorde er allemaal een beetje bij”.

Albert werkte doordeweeks zijn hele werkende leven voor bandenfabrikant Continental. In de tijd dat hij in de jeugdcommissie zit, werkt hij daar op de boekhouding. Zo wordt Blankenstijn ook steeds meer de man van de administratie binnen de jeugdcommissie. Een rol als penningmeester dus. “Dat ging toen ongeveer zo van: Hier Albert, heb je 10.000 bonnen, verdeel ze maar onder de jeugd. Of dan kreeg ik rekeningen die ik dan moest ondertekenen en moest doorgeven aan de echte penningmeester van het AB. Zo moet je dat een beetje zien”.

In al die jaren als lid van de jeugdcommissie wordt Albert nooit gevraagd voor het bestuur. “Dat hadden ze ook niet hoeven doen. Ik zag dat niet zitten, want ik vond het werken met jeugd leuker. Ik wilde ook nooit als voorzitter van de commissie in het AB plaatsnemen. Daar moesten we altijd iemand voor zoeken binnen de commissie”. Ondertussen is Blankenstijn wel lid van verdienste. Dat gaat echter niet zonder slag of stoot. “Begin jaren 90 werden er een aantal mensen lid van verdienste. Daar was ik het niet mee eens. Die mensen waren dan tien jaar lid van een commissie. Ik was al twintig jaar lid van een commissie en ik had nog niet zo’n speldje. Dat zei ik dan gewoon hardop. Het jaar erop werd ik, toch wel verrassend, toch ineens lid van verdienste met een aantal collega’s van de jeugdcommissie”.

Halverwege de jaren 90 wordt Blankenstijn gevraagd om penningmeester te worden van het beheer van het clubhuis. “Dat leek me wel wat. Het viel echter onmogelijk te combineren met de jeugdcommissie. Het was een tijdrovende klus. Dus ik moest stoppen bij de commissie”. Midden jaren negentig is er, gelukkig voor Albert, al een computer die een handig hulpprogrammaatje biedt om de last wat te verlichten. Toch lag er best een verantwoordelijkheid op zijn schouders. “Het was de administratie voor het clubhuisgebouw en opstallen. Dat bevatte ook de kas. Ik was dan ook verantwoordelijk voor het geld. Je nam in die tijd gewoon alles in je fietstas mee naar huis. Zo kon het wel eens zijn dat je met een paar duizend euro in je fietstas naar huis reed. Daar moet je nu niet eens meer over nadenken. Dat heb ik zo’n drie jaar volgehouden”.

Helemaal aan het einde van de vorige eeuw is dan het eerste moment in bijna dertig jaar, dat Albert even niets doet voor de vereniging. Maar dit duurt niet lang. “Ze hadden al snel een nieuwe penningmeester bij de jeugd weer nodig en toen was ik daar ook zo weer terug”. Het was wel anders dan vroeger, benadrukt Blankenstijn. “Er kwamen beleidsplannen en meer van die dingen. De financiën gingen langs mij. Als er dan meer geld in de jeugd werd gepompt, was er eigenlijk al veel bepaald en moest ik de restjes eigenlijk verdelen. Het ging allemaal anders dan vroeger. Toch heb ik het tot het einde van het seizoen 2010-2011 met plezier gedaan”.

In het heden is Albert nog steeds gastheer op de zaterdag. Vanwege gezondheidsproblemen is hij er een jaartje tussenuit geweest, maar daarna pakte hij al snel het werk weer op wat hij eigenlijk het leukst vindt. “Iedereen ontvangen. De scheidsrechters, de coaches, de spelers, de oude garde van Roda. Dat sociale vind ik heerlijk. Mezelf verdienstelijk maken”. Aan het einde van de dag doet Blankenstijn ook nog het afromen bij de kassa’s. “Ik ben er toch elke zaterdag”.

In zijn mening over hoe de vereniging nu is, hinkt Albert een beetje op twee gedachten. “Het is goed dat het allemaal nu wat gestroomlijnder gaat, maar ik mis wel vaak het respect. Je moet af en toe een keer een schouderklopje uitdelen. In dat werk wat ik nu doe (Albert is vrijwilliger bij ’t Hamersveld), krijg je af en toe te horen van ‘goed gedaan joh’. Dat zou bij Roda ook zo moeten zijn, het is allemaal vrijwilligerswerk. Het wordt teveel als normaal beschouwd. Dan wordt er gekeken naar wat er allemaal aan ontbreekt, maar er zijn wel een hoop vrijwilligers die een heleboel tijd in de vereniging steken. Kijk er daar eens wat positiever naar”.

Ook valt het ook Blankenstijn op dat de aanwas van jonge vrijwilligers niet heel soepel gaat. “Ik blijf mijn steentje wel bijdragen, maar ik ben ook al 61. Je ziet zo weinig jongens op bijvoorbeeld een ledenvergadering. Veel mensen, jonger dan 35, die Roda echt wel een warm hart toedragen, steken hun hoofd in het zand”. Ook de onderlinge betrokkenheid is minder, constateert Albert. “Laten we zeggen: In de jaren 70 of 80 zei je gewoon tegen een team: Jongens, we hebben problemen, of er moet iets gebeuren. Dat zette iedereen zijn schouders eronder en dan lukte het ook. Dat is allemaal zo anders nu”.

Het grootste deel van zijn Roda-leven is hij op de zaterdag bezig geweest. Toch is Albert elke zondag aanwezig. “De zondag is eigenlijk altijd al mijn derde helft geweest. Alle maatjes uit de jaren 70 en 80 lopen er nog steeds rond. Sommige zijn een paar jaar weggeweest en die komen dan nu weer terug met ineens een paar kids. Dat is hartstikke leuk”. De prestaties van de zondag 1 vind Albert minder interessant. “Dat maakt me allemaal niet zoveel uit. Dat geldt overigens ook voor de zaterdag 1. Het gaat mij echt om de gezelligheid. Dat prestatievoetbal hoeft van mij allemaal niet zo. Al wil natuurlijk wel een leuke wedstrijd zien”.

Het vlaggenschip van de zondag stemt Blankenstijn tevreden. “Het zijn allemaal Leusdense jongens. Die ken je gewoon bij naam en veel voetbalden hier ook al in de Fjes”. Daarom vindt Blankenstijn het ook heel erg zonde dat Harry Oussoren na dit seizoen vertrekt. Dat had anders gekund, denkt hij. “Ik snap dat, nu er zoveel mensen bij de vereniging betrokken zijn, het niet haalbaar is om voor beide prestatie elftallen te kiezen. Dat kan ook niet. Maar of het nou zo extreem voor de zaterdag moet kiezen als nu het geval is, dat vind ik niet. Je haalt een stukje drive weg bij de zondag. Zij kunnen nu niet echt groeien, terwijl er wel de afgelopen jaren echt iets is neergezet. Ik ben dan ook heel benieuwd hoe er voor de zondag nu een nieuwe trainer gevonden gaat worden. Iedereen weet namelijk precies hoe de vlag erbij hangt. Er is daar gewoon weinig mogelijk”.

Het weekend op de club zijn vindt Albert heerlijk. “Het is gewoon een heel gezellige vereniging. Ik ben er eigenlijk het hele weekend, ondanks dat ik zelf nooit heb gevoetbald. Je krijgt me er ook niet weg hoor. Er zitten bij Roda zulke gezellige mensen en er gebeurt altijd wat. Dus heb je ook altijd genoeg om over te praten”. 

De wedstrijd tegen Hooglanderveen wordt een moeilijke volgens Blankenstijn. “Tsja. Bij die club is aanwas zat. Het groeit daar als kool en de ploeg draait ook nog eens goed. Maar goed, geen geklets. Het wordt gewoon 2-1 voor Roda, maar niet meer.”


Tekst: Marc Mispelblom